Waarom de moord op de voormalige Japanse premier Shinzo Abe zoveel steun oogst in Japan

woensdag, 21 januari 2026 (13:03) - FHM

In dit artikel:

Op 8 juli 2022 schoot Tetsuya Yamagami (45) oud-premier Shinzo Abe in Nara neer tijdens een verkiezingscampagne; Abe overleed vrijwel direct. Aangezien vuurwapengeweld in Japan door strikte wapenwetten zelden voorkomt, raakte de aanslag het land diep. Yamagami werd ter plekke gearresteerd en drieënhalf jaar later, op 21 januari 2026, veroordeelde het Nara District Court hem tot levenslange gevangenisstraf. De aanklagers noemden de daad een “extreem ernstig en ongekend” incident in de naoorlogse geschiedenis; de verdediging had om een veel mildere straf (maximaal twintig jaar) gevraagd.

De drijfveer achter de moord lag volgens Yamagami niet in politiek extremisme maar in wraak tegen de Verenigingskerk (Unification Church). Hij verklaarde dat zijn moeder enorme bedragen — naar eigen zeggen rond ¥100 miljoen — aan die religieuze beweging had gegeven, wat het gezin financieel verwoestte en volgens hem medebepalend was voor zijn broer’s zelfmoord en zijn eigen verloren kansen. Omdat een leidinggevende van de kerk niet in Japan was, richtte Yamagami zijn aanval op Abe, die hij zag als symbool van politieke legitimering van de kerk vanwege eerdere banden tussen sommige politici en de beweging. Tijdens het proces stelde hij dat hij met zijn daad vooral de invloed van de kerk op de politiek wilde blootleggen.

Wat deze zaak uitzonderlijk maakte, was de brede mate van begrip en zelfs steun die Yamagami in delen van de Japanse samenleving oogstte. Nadat zijn motieven bekend werden, stroomden duizenden steunbetuigingen, geldgiften en petities binnen waarin om mildere straf werd gevraagd. Uit peilingen bleek bijvoorbeeld dat een meerderheid tegen een staatsbegrafenis voor Abe was. Deze publieke empathie is ongebruikelijk in een land dat weinig ervaring heeft met politieke moord.

De nasleep leidde tot politieke en maatschappelijke ontwrichting: de relatie tussen de regerende partij en de Verenigingskerk kwam onder een vergrootglas, leidde tot aftredingen en zette aan tot nieuwe regelgeving tegen agressieve en exploitatieve donaties. Hoewel de moord als daad niet te rechtvaardigen valt, heeft de affaire wel een nationaal debat over de grenzen van religieuze vrijheid, financiële uitbuiting en politieke verantwoordelijkheid afgedwongen. De veroordeling markeert het einde van de strafrechtelijke fase, maar de maatschappelijke discussie en beleidsreacties op de blootgelegde misstanden blijven doorwerken.