Huizenprijs daalt, aanbod stijgt: er is hoop, maar juich niet te vroeg
In dit artikel:
Een gemiddeld koophuis in Nederland kost in het eerste kwartaal van 2026 weer onder de grens van een half miljoen euro: makelaarsvereniging NVM rapporteert een gemiddelde verkoopprijs van 484.658 euro. Dat is 2,7 procent lager dan eind 2025, maar betekend niet dat prijzen op lange termijn echt gezakt zijn: vergeleken met hetzelfde kwartaal in 2025 liggen de prijzen nog ongeveer 10.000 euro hoger.
De daling in het begin van het jaar past deels in het gebruikelijke seizoenspatroon—prijzen zakken vaak in het eerste kwartaal—maar de terugval is groter dan normaal, wat duidt op een lichte afkoeling van de markt. Die afkoeling komt ook terug in andere NVM-cijfers: de gemiddelde verkooptijd steeg van 30 naar 32 dagen, er zijn minder bezichtigingen en biedingen per woning en minder transacties boven de vraagprijs. Tegelijkertijd nam het aanbod fors toe; er stonden ruim 20 procent meer huizen te koop dan een jaar eerder.
NVM wijst erop dat er meerdere oorzaken meespelen. Naast het seizoenseffect beïnvloeden ook externe factoren de markt: stijgende hypotheekrente vermindert koopkracht en een dalend consumentenvertrouwen drukt de vraag. Bovendien ziet ongeveer een derde van de NVM-makelaars dat woningzoekers reageren op de onrust in het Midden-Oosten, wat extra onzekerheid geeft.
Voor huizenzoekers is het verdwijnen van de symbolische grens van 500.000 euro een welkome ontwikkeling, maar de realiteit blijft dat een gemiddelde koopwoning met bijna 485.000 euro nog altijd buitengewoon duur is. Bovendien zijn prijsverschillen per regio en per woningtype groot; wonen in steden of in populaire segmenten blijft veel duurder dan het landelijke gemiddelde. Kortom: de markt koelt licht, maar betaalbaarheid en sterke regionale ongelijkheid blijven belangrijke aandachtspunten.