De Olympische medaillespiegel in prijzengeld, verrassing op plek 1
In dit artikel:
De medaillespiegel van de Olympische Winterspelen geeft één beeld; de financiële ranglijst toont een heel ander verhaal. Voor 2026 keert het Internationaal Olympisch Comité zelf geen prijzengeld uit: nationale olympische comités en sportbonden bepalen of, hoeveel en op welke manier atleten worden beloond. Daardoor ontstaan grote verschillen tussen landen – zowel in totaalbedrag als in de manier van uitkeren.
Een aantal landen keert helemaal geen premies uit en investeert het geld liever in talentontwikkeling en begeleiding. Tot die groep behoren onder meer Groot-Brittannië, Zweden, Noorwegen (de koploper op de medaillespiegel) en vanaf 2026 ook Nederland. Voor Nederlandse olympiërs betekent dat de Winterspelen van 2026 de laatste keer zijn dat ze premie ontvangen; Nederland hanteert bovendien een ‘niet-stapelen’-regel: wie meerdere medailles wint krijgt steeds alleen de hoogste premie, met een maximumbedrag van 30.000 euro per atleet. Ook wordt bij teams vaak naar groepsgrootte gekeken, waardoor het premiebedrag per persoon lager uitvalt dan in landen die elk teamlid het volle pond geven.
Die beleidskeuzes verklaren waarom landen met veel medailles niet per se bovenaan de financiële ranglijst staan. Italië staat inmiddels al met ruime afstand bovenaan in het prijzengeldklassement: hoge individuele premies, volledige betaling aan teamleden en veel podiumplaatsen leiden tot miljoenen aan uitkeringen. Frankrijk staat financieel hoger dan op de medaillespiegel omdat het premies stapelt en geen onderscheid maakt tussen team- en individuele successen. Andere verrassingen zijn Kazachstan (van plek 17 op de medaillespiegel naar plek 9 qua prijzengeld) en landen als Polen, Tsjechië, Slovenië, Korea en Bulgarije, die veel betalen per gouden plak — een voorbeeld is kunstschaatser Mikhail Shaidorov, die omgerekend zo’n 240.000 euro kreeg voor zijn gouden kür.
Aan de andere kant zijn er exotische uitschieters wat premiebedragen betreft: Singapore en Hongkong bieden theoretisch de hoogste beloningen voor goud — tot 24 keer wat Nederland uitgeeft — maar de kans dat die bedragen ooit worden uitgekeerd bij Winterspelen is klein omdat die landen vrijwel nooit wintermedailles winnen. Toch tonen recente ontwikkelingen (bijv. de eerste Braziliaanse goudenmedaille) dat onverwachte successen niet uitgesloten zijn.
De onderliggende berekening voor de financiële ranglijst is gebaseerd op onderzoek van Manners (laatste update 16 februari): per land is gekeken naar premiebedragen voor goud, zilver en brons, plus regels over stapelen en teams, en die zijn toegepast op de actuele medaillespiegel om totale verplichtingen te schatten.
Kortom: wie sportief succesvol is, is niet automatisch ook de grootste uitbetaler. Nationale keuzes over beloning versus investering bepalen hoeveel atleten daadwerkelijk in geld worden beloond, en daarmee verschilt het financiële klassement sterk van de klassieke medaillespiegel.