De bizarre huizenmarkt in Sovjet-landen: Nederland stoomt op
In dit artikel:
Volgens Eurostat's rapport Housing in Europe 2025 woont in Nederland 68,8% van de bevolking in een koopwoning en 31,2% in een huurwoning — vrijwel gelijk aan het EU-gemiddelde van 68,4% koop en 31,6% huur. De cijfers tonen dat Nederland qua eigenaarschap precies in het midden van de EU zit.
In grote delen van Oost-Europa ligt het aandeel huiseigendom veel hoger: in ongeveer tien voormalige Sovjetstaten bezit 80–90% van de bevolking een huis, met Roemenië als uitschieter rond de 95%. Die hoge eigendomspercentages zijn vooral te verklaren door de privatisering van sociale huurwoningen in de jaren negentig, toen na de val van het communisme veel woningen goedkoop aan bewoners werden verkocht.
Aan de andere kant van het spectrum staan Duitsland en Zwitserland: dat zijn de enige EU-landen waar meer mensen huren dan kopen. Dat komt door een sterke huurmarkt met goede huurbescherming, langdurige contracten en relatief stabiele prijzen, gecombineerd met hoge huizenprijzen en strenge hypotheekvoorwaarden die kopen minder aantrekkelijk maken.
In Nederland is de markt in beweging: strengere regels hebben sommige verhuurders doen verkopen, waardoor het aandeel koopwoningen toeneemt. Tegelijkertijd stijgen de huren snel, wat de betaalbaarheid onder druk zet en de discussie over woonbeleid en aanbod versterkt.
Kort samengevat: Nederland is statistisch gezien gemiddeld binnen de EU, maar Europese verschillen zijn groot — historisch-politieke ingrepen in het Oosten en institutionele kenmerken in landen als Duitsland en Zwitserland bepalen sterk of mensen eerder huren of kopen.