Achter de glitter van het Eurovisie Songfestival schuilt een miljoenenbusiness (en een boycot kost landen miljoenen)
In dit artikel:
Het Eurovisie Songfestival is uitgegroeid van televisiespektakel tot een miljardenindustrie waarin politiek, imago en geld minstens zo zwaar meewegen als het liedje zelf. Alle deelnemende omroepen betalen bijdragen aan de European Broadcasting Union (EBU), maar de zogenoemde Big Five (Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland, Italië en Spanje) dragen een groot deel van de rekening en kwalificeren zich automatisch voor de finale. Het echte financiële beslag komt wanneer een land wint: dan moet het de volgende editie organiseren, met hoge kosten voor beveiliging, techniek, persaccommodatie, hotels, vervoer en citymarketing.
Een illustratief voorbeeld is Liverpool, dat in 2023 namens Oekraïne hostte. Britse media rekenden publieke uitgaven op ongeveer 20 miljoen pond, terwijl de stad naar schatting zo’n 54 miljoen pond terugverdient via toerisme en wereldwijde aandacht; ruim 160 miljoen mensen keken wereldwijd. Die balans tussen kosten en baten is voor veel landen het criterium om wel of niet mee te doen.
Nu sommige landen afhaken en de discussie rond Israël het evenement verder polariseert, wordt de financiële kwetsbaarheid zichtbaar. In Nederland kost de boycot van omroep AvroTros de NPO volgens tv‑analist Tina Nijkamp naar schatting circa 1 miljoen euro aan reclame-inkomsten. Kijkcijfers kelderen ook: de eerste halve finale trok slechts 541.000 kijkers, een historisch dieptepunt. Minder nationale betrokkenheid betekent lagere advertentieopbrengsten, waardoor landen en omroepen steeds strenger afwegen of deelname nog opweegt tegen de risico’s en kosten.